De dga die geld leent van zijn B.V. moet dat fiscaal zorgvuldig doen. In het huidige belastingstelsel is alleen nog rente aftrekbaar op schulden waarvan de opbrengst is belast in box 1 (denk ook aan de eigen woning). De over een lening van de B.V. betaalde rente kan dus – als die niet voor de financiering van een eigen woning wordt aangewend – niet worden afgetrokken. De schuld kan wel in mindering worden gebracht op het vermogen in box 3 waarover uiteindelijk 1,2% belasting betaald moet worden. Bij de B.V. is de ontvangen rente belast voor de vennootschapsbelasting.
Mogelijkheden
Een dga die geld leent van zijn B.V. is een alledaags verschijnsel. Stel, het gaat om een bedrag van
€ 50.000. Er doet zich dan een aantal mogelijkheden voor.
1. De dga heeft privé geen geld om het geleende bedrag af te lossen. Dan is er helemaal geen sprake van een lening. Het bedrag is niet aftrekbaar bij de B.V. en de dga wordt belast voor het ontvangen van € 50.000 dividend.
2. Er is in feite sprake van tantième. Dan is bij de B.V. het volle bedrag aftrekbaar als loonkosten, maar wordt het bij de dga belast als loon.
3. De dga lost wel af, maar betaalt geen rente. Voor de B.V. ontstaat zo een nadeel, dat gecorrigeerd moet worden. Het is realistisch om aan te nemen dat wanneer de € 50.000 aan een ander dan de dga zou zijn uitgeleend dit wel 5% per jaar zou hebben opgeleverd. Derhalve volgt bij de B.V. een winstcorrectie van € 2.500. Bij de dga wordt eenzelfde bedrag als uitdeling in aanmerking genomen.
4. De lening is volgens de regels van het spel opgesteld. Er is een schriftelijke overeenkomst tussen dga en B.V. met daarin een aflossingsschema en een reëel rentepercentage. Mogelijk is ook een vorm van zekerheid gesteld, bijvoorbeeld een negatieve hypotheekverklaring voor de eigen woning van de dga. Met een dergelijke verklaring verplicht hij zich de woning niet ten gunste van een ander dan de B.V. te belasten met een recht van hypotheek. Kortom, een overeenkomst waar niets op aan te merken valt.
Argwaan
In het algemeen bekijkt de fiscus lenen van de B.V. met de nodige argwaan. Bestaan er twijfels of de lening wel terugbetaald kan worden of ligt het kennelijk niet eens in de bedoeling om dat te doen, wan wordt de lening niet als lening erkend maar voorzien van het etiket ‘uitdeling’. Met andere woorden: beschouwd als dividend – en dus belast tegen 25%. Aan de andere kant: een groot deel van de dga’s heeft een schuld aan de eigen B.V., maar er worden over deze kwestie maar zelden procedures gevoerd. Dat komt omdat de inspecteur aannemelijk moet maken dat sprake is van een bevoordeling van de dga waarvan zowel de B.V. als de dga zich bewust zijn geweest. Dat is geen gemakkelijke opdracht. Daarom is alleen in uitgesproken situaties ruimte voor correcties: bijvoorbeeld bij renteloosheid of als geen zekerheden zijn gesteld. Een relatief laag rentepercentage betekent dus niet automatisch dat sprake is van ‘onzakelijk handelen’.
Voorbeelden
Een voorbeeld. Een dga leende in 2002 € 4.000.000 van zijn B.V.. Hij vergoedde hierover 3,35% rente en zette het geld privé weg bij de bank tegen een rente van 4,1%. Het verschil van circa € 25.000 stak hij in eigen zak. De inspecteur vond dat de B.V. bij zakelijk handelen minstens het toenmalige rendement op staatsobligaties had moeten ontvangen, zijnde 4,66% . Gevolg: heffing van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting over het verkapte dividend van € 25.000 plus (in de inkomstenbelasting) een boete van 50%. De dga ging in beroep, maar delfde eind september 2009 het onderspit bij het Gerechtshof Amsterdam. De vraag of hij al dan niet zakelijk had gehandeld kwam daarbij nauwelijks aan de orde. De fiscus werd in het gelijk gesteld omdat de dga zijn transactie op geen enkele manier onderbouwd had met documenten. Er was geen overeenkomst van lening en ook voorwaarden over aflossing, rente en zekerheden ontbraken. De vraag is of het gerechtshof tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen als de lening wel afdoende zou zijn gedocumenteerd.
Rechtbank Arnhem deed in december 2009 uitspraak in een zaak waarin een B.V. haar dga renteloze leningen had verstrekt. Inspecteur en B.V. verschilden van mening over de fiscale behandeling van de renteloosheid. De rechtbank ging bij het bepalen van de zakelijke rente uit van de euriborrente (in het betreffende belastingjaar bedroeg die 2,3%) plus een opslag van 1,5%. Moest dit voordeel worden aangemerkt als een verkapte winstuitdeling of als arbeidsbeloning? De rechtbank was van mening dat de inspecteur niet had bewezen dat de renteloosheid was terug te voeren op de aandeelhoudersrelatie tussen dga en B.V.. De winstcorrectie die de inspecteur had toegepast moest vervallen. Volgens de rechtbank was er ook geen sprake van een informele kapitaalstorting.